‘een verlangen naar oprechtheid’

De Groene Amsterdammer (36/2013)

Screen Shot 2013-09-13 at 16.29.36

 

 

IN MEI VAN DIT JAAR PUBLICEERDE dit weekblad onder de kop ‘Verlangen naar oprechtheid’ een korte recensie van het laatste album van zangeres Anouk, Sad Singalong Songs. Een maand eerder verscheen ook al een artikel met vrijwel dezelfde titel. Lynn Bergers recensie ‘Een verlangen naar oprechtheid’ gaat echter niet over Nederlandse popmuziek, maar over de roman A Thousand Pardons van de Amerikaanse auteur Jonathan Dee.

Het is veelzeggend dat juist deze kop in twee verschillende katernen werd afgedrukt. Iedereen heeft het de laatste jaren over oprechtheid. Vooral in de literatuurkritiek wordt het begrip te pas en te onpas aangehaald: om het medeleven van Dee te beschrijven, maar ook om het vertrouwen van Jennifer Egan te benoemen, het verlangen van Adam Thirlwell onder woorden te brengen of de epiek van David van Reybrouck weer te geven. In Amerika is ‘The New Sincerity’, zoals de hang naar waarachtigheid daar genoemd wordt, zo’n breed gedragen fenomeen dat zelfs Oprah Winfrey’s boekenclub er aandacht aan schonk. Maar ook muziekliefhebbers zijn met het begrip bekend. Op de website van Antony and the Johnsons staat te lezen dat oprechtheid en hoop de ‘nieuwe punk’ zijn, terwijl Conor Oberst, de zanger van de Canadese band Bright Eyes, vaak ‘Mr. Sincerity’ wordt genoemd. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn gaande in de kunst, de mode en de film.

Slechts een paar jaar geleden schreven denkers en dichters nog boeken vol over de kracht van de ironie. Alles moest met een korreltje zout genomen worden: geloof en ideologie, de ander en het zelf, kunst en kitsch, de waarheid en bovenal de werkelijkheid. Postmodernisme, noemde men dat. Nu kunnen we plots niet oprecht genoeg zijn. Schrijvers voelen mee, muzikanten engageren zich, kunstenaars werken aan de toekomst. Gevoelsmatig ligt het postmodernisme inmiddels zo ver achter ons dat het Britse Victoria and Albert Museum er onlangs een retrospectieve aan wijdde. We leven in een nieuw tijdperk: het tijdperk van het metamodernisme.

Laten we niet vergeten hoe belangrijk ironie in de jaren negentig was. Nadat de Berlijnse Muur in 1989 was gevallen, heerste onder veel denkers en politici het idee dat de laatste fundamentele ideologische meningsverschillen waren uitgevochten. Na het fascisme was nu ook het communisme verslagen. De enige overtuiging die nog in de ring stond was de liberale democratie. De conservatieve intellectueel Francis Fukuyama profeteerde het einde van ‘het slagveld van de geschiedenis’, terwijl centrum-linkse politici als Bill Clinton en Tony Blair eeuwige vrede en voorspoed voorspelden. In romans als American Psycho van Brett Easton Ellis en Elementairedeeltjes van Michel Houellebecq functioneert ironie daarom als een waarheidsserum dat de zelfingenomenheid en vanzelfsprekendheid van zulke politieke vertogen openbaart. ‘Weet je zeker dat we in tijden van vrede leven?’ vraagt American Psycho de lezer na de zoveelste groteske, zinloze moord. ‘Is dit nou welvaart?’ informeren de personages uit de wereld van Houellebecq na hun eenzame, duurbetaalde prostitueebezoeken. Vergelijkbare strategieën zijn terug te vinden in de kunstwerken van Je! Koons, Damien Hirst en Sarah Lucas, evenals in de muziek van Nirvana en Radiohead of de films van Sam Mendes of Todd Solondz. Het ogenschijnlijke succes van de liberale democratie wordt ter discussie gesteld vanuit het falen van de humanistische principes van het egalitarisme, de seksuele emancipatie, of persoonlijke bewustwording.

De laatste tien jaar zijn de voorspellingen van Clinton en Blair nogal voorbarig gebleken. Vrede is ver te zoeken, niet alleen in het Midden-Oosten. Ook in de zogenaamde westerse wereld lopen de spanningen steeds vaker hoog op. Amerika is als een autoritaire, hardhandige stiefvader die na de zoveelste onrechtvaardige klap het respect van zijn geadopteerde kinderen heeft verloren. De Europese familie begint ook steeds meer op een film van François Ozon te lijken. De innige band tussen Midden- en Zuid-Europa is geknapt: de Grieken verbranden de ene Duitse vlag na de andere, de Spanjaarden gaan wanhopig bij zichzelf rade, terwijl de IJslanders zich afzonderen. De ruzie, zoals altijd in families, gaat over geld. Denk bovendien aan de onrust die initiatieven als WikiLeaks, Occupy en de Indignados hebben veroorzaakt. Op het moment van schrijven is het de Snowden-affaire die voor veel wantrouwen en frustratie zorgt.

Van toenemende welvaart is al helemaal geen sprake. In veel Europese landen zijn de bewoners de laatste tien jaar niet rijker maar juist armer geworden: salarisverhogingen zijn opgeschort, de huurprijzen zijn gestegen, de koopkracht slinkt. Veel jongeren vinden moeilijk een baan, ouderen worden voortijdig op straat gezet. De recessie wordt vaak geweten aan de val van Lehman Brothers in 2008. Terugkijkend was de teloorgang al ingezet in 1999, toen Clinton in samenspraak met de Republikeinse oppositie de Glass-Steagall-wet introk, en daarmee de financiële wereld verder dereguleerde. Je hoeft geen Dostojewski te heten om te begrijpen dat zonder regels alles geoorloofd is. Wat interessant is, is dat de economieën van landen met andere politiek-economische systemen juist groeiden: het staatskapitalisme van China, India’s sectarisch kapitalisme, of het maffiakapitalisme van Rusland. We willen geenszins beweren dat deze systemen verantwoorder of duurzamer zijn, laat staan humaner, maar het geeft aan dat er wel degelijk alternatieven denkbaar zijn (nu is het de taak een aantal zinnigere alternatieven uit te denken).

Ironie kun je uitstekend inzetten om een systeem te ontmantelen. Maar om iets op te bouwen is het veel minder geschikt. Zoals de Amerikaanse auteur David Foster Wallace, een van de grondleggers van de New Sincerity, reeds in 1993 opmerkte:

Sarcasm, parody, absurdism and irony are great ways to strip o! stu!’s mask and show the unpleasant reality behind it. The problem is that once the rulesof art are debunked, and once the unpleasantrealities the irony diagnoses are revealed and diagnosed, “then” what do we do?

Wat doe je op het moment dat alles al op losse schroeven staat? Als de economie draait is het slim en subversief om, zoals Damien Hirst deed, een schedel uit diamant te slaan om aan te tonen dat alles, zelfs de dood, tot consumptieobject kan worden. Maar op het moment dat er overal om je heen ontslagen vallen en mensen de restjes bijeen moeten sprokkelen is het niet langer grappig. Het is decadent.

Gezien de economische en politieke situatie is het weinig verrassend dat schrijvers, kunstenaars en muzikanten steeds vaker hun ironische predisposities onderdrukken en ervoor kiezen oprecht te zijn. Nu de samenleving om hen heen uiteen dreigt te vallen – in de zogenaamde één procent en de rest, in de brics en de piigs, in de volhardende eurofielen en de fanatieke nationalisten, in extreem-links en extreem-rechts – dient deze niet enkel ondervraagd, maar ook opnieuw van betekenis voorzien te worden. Zeer interessant is in dit verband het werk van de 41-jarige Britse kunstenaar David Thorpe. Thorpe maakt installaties, sculpturen, collages, schilderijen en tekeningen waarin hij alternatieve gemeenschappen verbeeldt – een traditie die de laatste jaren weer steeds populairder geworden is, met Rob Voerman, Charles Avery, Jenny Michel en Bettina Krieg als belangrijkste exponenten. De gemeenschappen zijn, zoals de kunstenaar zelf ook meermaals heeft aangegeven, utopieën. Sommige werken beelden duurzame technologische vooruitgang uit, zoals de vele collages van futuristische gebouwen uit metaal, hout, glas en zand. In andere werken staat juist de harmonische omgang met natuur centraal. De serie tekeningen Ecstatic Hangings (2012) verbeeldt onbekende kleurrijke, voluptueuze en, zoals de titel suggereert, vruchtbare planten. Gedichten die Thorpe in 2010 schreef en op canvas printte, benadrukken het uitzinnige, dionysische karakter van zijn imaginaire samenlevingen, met woorden als ‘Ecstatic’, ‘Wonder’ en ‘Jubilant’ dik gedrukt.

Maar Thorpe is niet louter naïef in zijn oprechte verlangen utopieën te creëren. Zijn werken zijn namelijk ook te begrijpen als commentaar op het project van de utopie. De aantrekkelijke werelden zijn samengesteld uit verwijzingen naar mislukte of gemankeerde pogingen om utopieën te realiseren. Zo doet de bebouwing uit de collages Good People (2002) en The Colonist (2004) achtereenvolgens denken aan Star Wars- ruimteschepen, Scientology-kerken, Anton Pieck-iconografie en het Amerikaanse transcendentalisme van Emerson en Thoreau, terwijl de natuur afwisselend uit Japanse houtsneden, westerns, en de schilderijen van Caspar David Friedrich lijkt te zijn gekopieerd. In andere werken wordt gerefereerd aan de vervallen brutalistische architectuur in Londen, het fascisme en Nietzsche’s koorddanser. Vrijwel al Thorpe’s utopieën zijn bovendien onbewoond, alsof mensen de rust zouden verstoren.

Thorpe’s hang naar oprechtheid is geenszins gespeend van ironie. Hij verlangt naar een andere, utopische samenleving maar begrijpt tegelijkertijd dat zulk verlangen nooit ingewilligd kan (en mag) worden: hij kent zijn geschiedenis, hij weet waar de plannen van de communisten en de nazi’s in het verleden toe hebben geleid. Hoe kan het ook anders? Als kinderen van de jaren tachtig merken wij zelf hoezeer we beïnvloed zijn door het wantrouwen van The Simpsons en Seinfeld, Fight Club en John Barth. Wanneer iemand stelt de waarheid in pacht te hebben, is onze eerste reactie: ‘Dat is jouw mening.’ Hoe vaak rollen we niet met onze ogen als iemand publiekelijk een ander ten huwelijk vraagt? Zoals opnieuw David Foster Wallace schreef: ironie zit in ons dna. Oprecht zijn is voor de generatie geboren in de jaren tachtig en negentig daarom geen natuurlijke dispositie maar een bewuste keuze. Het is een performance, die we zo lang mogelijk vol pogen te houden om zo veel mogelijk schroeven aan te draaien. Thorpe kiest ervoor oprecht te zijn, tegen beter weten in.

THORPE’S GEÏNFORMEERDE NAÏVITEIT is slechts een van de vele uitingen van de performatieve oprechtheid in de hedendaagse kunsten. In het werk van de IJslandse performancekunstenaar Ragnar Kjartansson toont het zich in de vergeefse pogingen uit het uitzichtloze hoop te putten. De Chileense auteur Roberto Bolano schrijft grote verhalen die zijn samengesteld uit incoherente paragrafen en onvolledige zinnen. In de bestsellers van Jonathan Franzen openbaart oprechtheid zich als humaan medeleven en begrip. Elders zien we het terug in de herwaardering van ambachtelijkheid en duurzaamheid. Kunstenaars grijpen alle mogelijkheden aan een door en door gedeconstrueerde wereld opnieuw van betekenis te voorzien, hoe vluchtig, vaag of irreëel ook.

Een van de belangrijkste tendensen is de opleving van een constructief engagement. De recente golf van protesten wijst op een breed gedragen onvrede over de gevolgen van het neoliberale denken voor de relatie tussen markten, overheden en burgers. Geruime tijd leken maatregelen als de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de invoering van marktwerking en de deregulering van de financiële sector uitstekende instrumenten om welvaart te garanderen zonder een verzorgingsstaat op te tuigen. Nu voelen we – wij, westerlingen – pas wat het werkelijk betekent om in een neoliberale samenleving te leven. De middenklasse verdwijnt, bestaanszekerheid strekt tot het einde van een kortlopend arbeidscontract en inkomensverschillen kunnen niet langer worden gecamoufleerd door het aangaan van nieuwe schulden. Ook de langetermijngevolgen van de exploitatie van de planeet voor winsten op de korte termijn beginnen langzaam door te dringen. Ondertussen lopen overheden aan de leiband van het veelkoppige monster van supranationale organisaties, financiële instellingen en kredietbeoordelaars.

Het is opvallend dat deze maatschappelijke onvrede zich nauwelijks vertaalt in de opgestoken middelvinger van de anarchist of de directe ‘aksie’ van de vrije radicaal. Zij manifesteert zich als een waaier aan praktische, veelal lokale en kleinschalige initiatieven waaruit een constructief engagement spreekt. De deelnemers aan dit soort initiatieven zijn niet zozeer tegen de staat of antikapitalistisch. Zij verkiezen het om bepaalde, alledaagse zaken samen met hun stadsgenoten te organiseren – en niet aan hebzuchtige bedrijven of bureaucratische overheidsinstanties over te laten. Denk, bijvoorbeeld, aan kleinschalige samenwerkings verbanden als het broodfonds (waarmee zzp’ers zich onderling verzekeren tegen ziekte), het buurtzorg-netwerk en energiecoöperaties. Of aan lokale gemeenschappen rond het ruilen van diensten en het delen van goederen. Deze nieuwe vormen van constructief engagement worden echter niet gedreven – of verblind – door ideologische dogma’s. En mensen die maaltijden afhalen via Thuisafgehaald.nl, zonnepanelen op hun daken installeren of aan stadslandbouw doen behoren ook al niet tot radicale subculturen. Integendeel. Het zijn vaak diverse groepen, gedreven door pragmatische overwegingen en een diverse constellatie van idealen, beginselen en overtuigingen. Maar ook: twijfels en onzekerheden.

Tekenend voor het hedendaagse constructieve engagement is immers dat het maken van alledaagse en politieke keuzes wordt omgeven – en soms ondergraven – door twijfels. Zelfs als we beseffen dat we een keuze moeten maken omdat de omstandigheden ons daartoe dwingen. Dit wordt treffend geïllustreerd door een recente installatie van de Libanese kunstenares Annabel Daou getiteld Which Side Are You On? (2012). Het werk bestaat uit een oude televisie, een stilstaand beeld van een confessiescherm en een geluidsfragment waarin de vraag ‘Which side are you on?’ wordt gesteld en de verschillende antwoorden van de respondenten zijn te horen. Sommige respondenten nemen de vraag uiterst serieus (‘the good side’, ‘the right side’, ‘the side of humanity’); anderen antwoorden met een kwinkslag (‘the sunny side’, ‘my side’). Maar bij ieder antwoord klinkt vertwijfeling door. Onzekerheid. De vraag lijkt simpel. Waarom is het dan zo lastig om een eenduidig antwoord te formuleren en een heldere keuze te maken?

Daou vestigt met dit werk onze aandacht op de kortsluiting die ontstaat wanneer we gedwongen worden een keuze te maken tussen verschillende posities, terwijl je weet dat de ene positie niet met absolute zekerheid valt te verkiezen boven alle andere posities. Deze kortsluiting is kenmerkend voor de hedendaagse situatie. De geopolitieke, economische en ecologische crises dwingen de leden van de metamoderne generatie om een stelling te betrekken. Deze generatie heeft echter uit postmoderne tekstboeken begrepen dat één positie innemen problematisch is. Maar nu de welvaartskloof tussen de elite en de rest steeds groter wordt en het politieke midden uiteen wordt getrokken door debatten over multiculturalisme, graaikapitalisme en eurocratisme zal de metamoderne generatie wel moeten.

Althans – dat is de reflex. Zodra de keuze is gemaakt en – na enige reflectie – de mening is gevormd doemen er onmiddellijk twee problemen op. Allereerst dringt het besef zich op dat je ondanks alle goed bedoelde intenties en keuzes per definitie medeplichtig bent aan de zaken waartegen je je uitspreekt of die je wilt veranderen. Fair Trade? Veel van je T-shirts worden nog steeds geproduceerd in sweat shops. Toch probeer je zo eerlijk mogelijk te consumeren. Multiculturele samenleving? Iedereen is welkom behalve die dronken Polen. Die pikken onze banen in. Klimaatverandering? Je installeert zonnepanelen op je dak maar je auto rijdt nog steeds op benzine. Tijdens OccupyAmsterdam droeg iemand een bord bij zich met de slogan: ‘Ik ben een hypocriet. Maar ik blijf het proberen.’ Precies. Een confessiescherm. Daou had geen beter beeld kunnen kiezen.

Het is eveneens veelzeggend dat Daou’s medium een oude televisie is. Het een boven het ander te verkiezen is een anachronisme, een verwijzing naar een tijd waarin de voorstelling van zaken nog enigszins te overzien was en men gemakkelijker het een boven het ander kon verkiezen. Heden ten dage gaat de noodzaak om positie te kiezen en een standpunt te bepalen gepaard aan de continue informatiestroom van het internet – waar altijd meer en vaak conflicterende informatiebronnen te vinden zijn – die elke goed geïnformeerde opinie degradeert tot een ‘educated guess’ of een sprong in het duister. Wat te doen aan de kredietcrisis? Wat te vinden van schaliegas? De klimaatcrisis? Syrië? Griekenland? Europa? Iemand? Iedereen weet dat er zaken moeten veranderen – het systeem, kapitalisme, democratie, wijzelf – maar niemand weet precies wat er veranderd moet worden. En, vooral, hoe we veranderingen kunnen bewerkstelligen. Ons probleem, schreef Slavoj Zizek ooit, is niet zozeer dat we te weinig weten. We weten te veel.

Overigens moet ook de vaak verkeerd begrepen Occupy-beweging worden gezien in het licht van deze aspecten van het hedendaagse constructieve engagement. Zo moeten de vele tentenkampen niet worden beschouwd als verzamelplaatsen van bozige protestanten zonder gedachtegoed die niets hebben kunnen bereiken. Integendeel. Het moment van Occupy weerspiegelde en versterkte slechts ontwikkelingen die zich al langer manifesteerden in de huidige netwerkcultuur: het toegenomen vermogen om lokale gemeenschappen te vormen rond alledaagse noden en behoeften en de toenemende noodzaak om – ondanks de onmogelijkheid hiervan – je positie te bepalen en stelling te nemen.

WE WILLEN GEENSZINS BEWEREN dat ontwikkelingen als geïnformeerde naïviteit en pragmatisch idealisme nieuw zijn. Er zijn al eeuwen kunstenaars wier werk even oprecht is als ironisch, even ambitieus als nuchter, geëngageerd als realistisch. Je hoeft maar een boek over de Romantiek open te slaan om te begrijpen hoe oud deze sensibiliteit is. Andere beroemde kunstenaars waaraan gedacht kan worden zijn Miguel de Cervantes, de Nederlandse performancekunstenaar Bas Jan Ader en de Italiaanse dichter en filmmaker Pier-Paolo Pasolini. Ons punt is niet dat dergelijke culturele fenomenen nieuw zijn, maar dat ze sinds een paar jaar zo wijdverspreid zijn. Het is vandaag de dag hip om ergens om te geven, je ergens voor in te zetten, utopieën na te streven. Ter vergelijking: vijftien jaar geleden, toen wij onze middelbare school afrondden, was het cool om van zo min mogelijk onder de indruk te zijn. Destijds was het de kunst geen enkele affectie of affiniteit te tonen. Genoodzaakt door de financiële crisis, de politieke instabiliteit en de ecologische onzekerheid, en/of gewapend met mobieltjes, blogs en Twitter, en/of gedreven door een generationele geldingsdrang om zich te onderscheiden van Generatie X, zijn voor de generatie van nu oprechtheid en hoop de nieuwe dominante gevoelsstructuren geworden.

Wij noemen de som van gevoelsstructuren als deze het metamodernisme. We hebben hier twee redenen voor. Ten eerste betekent het voorvoegsel meta in het Grieks na (in de Griekse taal wordt postmodernisme bijvoorbeeld ook als metamodernisme uitgesproken). De huidige ontwikkeling komt na het postmodernisme, dat op zijn beurt het modernisme opvolgde. De tweede reden dat we voor ‘meta’ gekozen hebben is de etymologische verwantschap met het Platoonse begrip ‘metaxis’. In Plato’s Symposion wordt die term gebruikt om de ontologische gespletenheid van halfgoden als Eros uit te drukken. Eros is zowel menselijk als goddelijk, maar, omdat hij niet tegelijkertijd mens en god kan zijn, in zekere zin geen van beide. Als gevolg daarvan slingert hij heen en weer tussen de twee werelden. Als wij het over metaxis hebben, doelen we op de slingerbeweging die het werk van hedendaagse activisten, kunstenaars en schrijvers kenmerkt. Een kunstenaar als David Thorpe schiet heen en weer tussen een postmoderne ironie en een bijna moderne oprechtheid, Annabel Daou tussen het grote verhaal en fragmentatie, terwijl activistische organisaties als Occupy en de Indignados van het idealisme naar het pragmatisme pendelen.

GEÏNFORMEERDE naïviteit en pragmatisch idealisme zijn bij dit alles, zoals gezegd, cruciaal. Maar het zijn zeker niet de enige tendensen die het einde van het postmodernisme markeren en het begin van een nieuw paradigma aankondigen. Andere voorbeelden zijn de terugkeer van het grote verhaal, de nadruk op affect en de herwaardering van ambachtelijkheid. We hebben bovendien slechts een zijde van het debat behandeld: als Occupy exemplarisch is voor het hernieuwde engagement, dan zijn de Tea Party en Geert Wilders dat ook; de orwelliaanse vormen die de nsa aanneemt staan vanzelfsprekend niet los van de acties van WikiLeaks.

Dit is geen manifesto. Wij willen niemand ervan overtuigen metamodern te worden. Ons doel is om culturele verschuivingen zoals die in dit essay zijn beschreven te doorgronden. Er is iets veranderd. Iedereen voelt het, velen hebben het erover. Nu is het de taak, aan ons maar ook aan u, om te begrijpen wat die veranderingen precies inhouden.

There are 3 comments

  1. Editorial

    Dear Helen, For the time being this is all we can do. The GoogleTranslate translation is quite decent, though. All the best, the NoM team.

Post Your Thoughts